Vertaling Duits
Het duits (de standaardtaal heet ook wel Hoogduits) is een taal behorende tot de West-Germaanse tak van de Germaanse talen. Het is de officiële taal van Duitsland, Oostenrijk en Liechtenstein, en een van de officiële talen van Zwitserland, Luxemburg, België (Oostkantons) en Italië (Zuid-Tirol). In onder meer Namibië (een vroegere Duitse kolonie) en landen van het voormalige Oostblok wordt het ook gesproken, maar zonder officiële erkenning.In het Aziatische deel van de voormalige Sovjet-Unie is duits nog de moedertaal van omstreeks twee miljoen inwoners, afstammelingen van de Wolgaduitsers (Wolgadeutschen) die in de 18e eeuw op uitnodiging naar Rusland trokken. Ook in Noord-Amerika (Canada en de Verenigde Staten) wonen nog ongeveer twee miljoen mensen die als moedertaal het duits hebben. In Zuid-Amerika ten slotte is er ook een minderheid aan Duitstaligen. Die wonen vooral in Brazilië, Argentinië en Paraguay.
Algemeen
Met ongeveer 105 miljoen moedertaalsprekers is het duits de grootste taal in de Europese Unie en na het Russisch de grootste taal in Europa. Ook in Nederland wordt het duits door velen als tweede of derde (na het Engels) taal gesproken, en wordt het op middelbare scholen onderwezen. In Venlo is er zelfs een tweetalig Nederlands-Duitse school.
In een synodebericht uit 786 van de pauselijke Nuntius Gregor van Ostia is het oudste voorkomen van het woord Duits, in zijn Latijnse vorm, bewaard gebleven: theodisce. Dit bericht over twee synoden die in Engeland plaatsvonden, werd zowel in het Latijn als in de aldus genoemde volkstaal weergegeven. 'Theudo' is het oud-Germaanse woord voor volk, dat werd voorzien van een suffix '-iska'.
Het duits wordt geschreven met het Latijnse alfabet, waaraan vier tekens zijn toegevoegd: Ä/ä, Ö/ö, Ü/ü en ß. De ß geldt ook in Zwitserland, maar wordt in de dagelijkse praktijk weinig gebruikt, wel bij het drukken van boeken.
Op de meeste middelbare scholen is duits een verplicht vak vanaf het VMBO-TL. Sommige scholen met een lager niveau geven het ook.
Doordat de woordenschat van het duits sterke gelijkenissen vertoont met die van het Nederlands (de meeste woorden lijken in hun vorm enigszins tot sterk op het overeenkomende Nederlandse), is het voor Nederlandstaligen vaak een stuk gemakkelijker duits te verstaan dan om het zelf te gebruiken. Men moet echter steeds bedacht zijn op 'valse vrienden' zoals 'Winkel', 'einladen', 'bellen', 'kriegen' en 'brauchen'.
Grammatica
Het duits kent vier naamvallen:
de nominatief: het onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde
de genitief: uitdrukken van de bezitter en aanvulling bij werkwoorden/voorzetsels
de datief: het meewerkend voorwerp en aanvulling bij werkwoorden/(keuze)voorzetsels
de accusatief: het lijdend voorwerp en aanvulling bij werkwoorden/(keuze)voorzetsels
Bij de keuzevoorzetsels is de datief voor de plaats en het tijdstip en de accusatief voor de richting. Als het om geen van beide gaat wordt altijd de datief gekozen, behalve bij auf en über.